Ik haat je, maar niet heus 2

Hoofdstuk 2:

De volgende ochtend word ik wakker met het gevoel alsof ik de vorige avond te diep in een glaasje of vijf heb gekeken. Alle gebeurtenissen van gisteren razen ineens weer in een rap tempo door mijn hoofd. Ik krijg het spontaan koud en verstop me nog wat verder onder mijn dekbed.

Ik weet niet eens of ik het zoenen met Edwin als iets fijns moet zien of als een reden om alles nog gecompliceerder te maken dan het al is. Hij zei dat hij me leuk vond, maar zat hij niet gewoon gevangen in het moment? Ik bedoel, die hevige storm riep veel emoties op en het is niet raar dat je elkaar dan even in een ander daglicht ziet.

Dat zal het inderdaad gewoon zijn. Mijn hoofd moet leegraken van Edwin en gevoelens die ik niet kan verklaren. Ik moet eerst mijn leven op orde zien te krijgen.

Ik stap uit bed en slof in mijn Aristokatten-pyjama naar de woonkamer, waar Gia zoals altijd met haar perfect in model gebrachte filmsterrenhaar en met een kop koffie al achter haar Macbook zit. ‘Goedemorgen,’ mompel ik.

‘Goedemiddag,’ zegt Gia verbeterend, zonder op te kijken. Ik adem diep uit en plof op de bank. Ik zou niet eens meer weten hoe dat voelt, werken.

Alsof Gia mijn gedachten kan lezen, zegt ze vanachter haar scherm: ‘Ben je nog aan het solliciteren?’

Ik kijk op en zie dat ze me vragend aankijkt. Daar wilde ik het nu juist niet over hebben. Of nou ja, nu… zeg maar gerust nooit. Alhoewel ik weet dat ik niet voor eeuwig thuis kan blijven zitten, de gedachten aan teruggaan naar halfdode cliënten, nachtdiensten en personeelstekort laten me spontaan hyperventileren. Het is of op een gegeven moment weer gezond en wel teruggaan naar mijn huidige werk en binnen een mum van tijd weer ziek worden, of zo snel mogelijk iets anders zoeken, wat me ook weer paniekaanvallen bezorgt.

Ik kijk Gia niet aan en haal mijn schouders op. ‘Ik wil niet terug.’

‘Maar je hoeft toch ook niet terug naar het ziekenhuis? Er zijn zat andere dingen die je kunt doen.’

‘Wat dan?’ vraag ik serieus. ‘Wat kan ik nou met een diploma verpleegkundige zonder gek te worden van mijn werk?’

Ik zie Gia ook nadenken. ‘Wie zegt dat je in de zorg moet werken? Er staan toch zat vacatures op internet die daar niets mee te maken hebben?’

‘De meeste vacatures die ik tot nu toe tegen ben gekomen waren alleen maar in sectoren met veel personeelstekort. Of nog erger: van die hersendodende baantjes voor nog minder dan het minimumloon. Hoe vind ik dan ooit iets wat bij me past?’ Ik gooi mijn armen in de lucht en laat dat laatste er melodramatisch uitkomen.

Gia trekt een onverschillig gezicht, wat zo’n beetje haar standaard gezichtsuitdrukking is. ‘Zoek uit wat je leuk vindt, en belangrijker: wat je niet leuk vindt. Voor mij is het makkelijk. Ik haat mensen dus ik werk het liefst alleen, lekker thuis, op mijn laptop.’

Ze zegt het zo serieus dat ik tegen beter weten in moet lachen, maar dan haal ik somber mijn schouders op. ‘Ja, maar ik kan niet zo goed schrijven of ontwerpen als jij. Ik weet eigenlijk niet waar ik wel goed in ben.’

Nu haalt Gia haar schouders op. ‘Hoezo? Je maakt toch kaarten en sieraden? En je kunt goed koken, bakken, je hebt een tijdje gehaakt… Je was altijd heel creatief bezig.’

‘Niet meer,’ zeg ik hoofdschuddend. ‘Sinds mijn overspannenheid heb ik niets meer gedaan.’

‘Hmm,’ zegt Gia nadenkend en ze neemt een slok koffie. ‘Misschien is het nu juist wel een goed idee om er weer mee te gaan beginnen.’

Weer haal ik zwak mijn schouders op en ik staar even naar het andere eind van de bank, waar ik gisteren met Edwin zat. Wat doe ik nou? Ik zou niet meer aan hem denken! Ik zucht. ‘Ik heb geen geld meer over voor de rest van de maand.’ De gedachte aan mijn gênante positie in de supermarkt gisteren geeft me tranen in mijn ogen.

‘Huh, hoe kan dat? Je had vorige week toch gewoon betaald gekregen?’

‘Dat is er alweer doorheen,’ zeg ik zielig.

Ik hoor Gia diep in- en uitademen en ik draai me verontwaardigd naar haar om. ‘Kan ik er wat aan doen? Weet je hoe prijzig dit appartement is voor mijn schijtsalaris?’

Ik roep het harder dan aanvankelijk bedoeld was en voordat ik het besef voel ik de tranen al over mijn wangen lopen.

Ik hoor Gia zuchten en opstaan van de eettafel. Waarschijnlijk wil ze me zo snel mogelijk de deur uit hebben, zodat ze mijn slaapkamer voor zichzelf heeft en er een kantoor van kan maken. Ik ben een blok aan haar been en dat gaat ze me zeggen ook.

Ze komt naast me op de bank zitten en legt een hand op mijn been. ‘Hé, het komt wel goed. Focus je even op het vinden van iets anders. Doe wat je leuk vindt, pak je oude hobby’s weer op en… Nou ja, voorlopig krijg je elke maand nog uitbetaald. Dat is genoeg voor de hypotheek en vaste lasten. Voor de rest doe ik de boodschappen en andere nodige uitgaven wel.’

Ik schiet omhoog en kijk haar verschrikt aan. ‘Maar ik ben je al zoveel schuldig. Dit kun je er niet allemaal nog bij nemen.’

‘Nou en?’ vraagt Gia, en haar bruingroene ogen kijken me aan alsof het haar echt niets kan schelen. ‘Het is míjn appartement. Oké, van mijn moeders geld. Maar dan nog.’ Ze staat op.

Ik begin weer te huilen. ‘Als je me liever weg wil hebben moet je dat ook gewoon zeggen, hoor,’ zeg ik zacht. Dan ga ik wel weer terug naar mijn ouders en puberale broertje.

‘Ik dacht het niet. Wie maakt er dan nog al die lekkere poké bowls voor de lunch?’ Gia kijkt me grijnzend aan en voor het eerst vandaag verschijnt er een lachje op mijn gezicht. Want het bevestigt twee dingen: ik kan dus daadwerkelijk iets goed doen, en Gia vindt me zo te horen toch wel aardig.

Nadat ik de poké bowls had gemaakt en we die samen hadden opgegeten (Gia als lunch en ik als ontbijt) voel ik me alweer iets beter en ik besluit buiten een rondje te lopen. Na dat noodweer van gisteren is het vandaag bizar genoeg een stralend zonnige dag.

Ik loop de trap af en mijn hart slaat een slag over als ik Edwins voordeur in het vizier krijg. Langzaam loop ik de treden af en mijn hart zit inmiddels in mijn keel. Wat moet ik doen? Bij hem aanbellen?

En dan? Hé, Edwin, ik wilde even checken hoe het met je gaat sinds die zoen van gisteren? Nee, hij ziet me aankomen. Waarschijnlijk haat hij me nog steeds net zo erg als altijd.

En ik hem trouwens ook, hoor.

Ik negeer zijn voordeur en open de centrale voordeur, naar buiten. Oké, ik ga gewoon lekker de frisse buitenlucht opsnuiven en helemaal niet meer denken aan Edwin of aan alles wat er gisteravond gebeurd is.

Vastberaden steek ik de straat over en als ik linksaf wil slaan werp ik in het voorbijgaan een blik naar ons woningcomplex. Zie ik dat goed?

Ik stop met lopen. Ja. De deur gaat open. Edwin loopt de centrale voordeur uit, met zijn fiets.

Ik krijg het warm en wil weer haastig de straat terug oversteken, maar dan besef ik dat dat een beetje raar overkomt. Dus besluit ik rustig aan terug te lopen, alsof ik al de hele ochtend gewandeld heb en nu net, heel toevallig, pas terugkom.

‘Hé,’ roep ik als ik nog midden op de weg aan het lopen ben.

Edwin draait zich verbaasd om, en als hij mij ziet staan lijkt hij wel een fractie van een seconde op te lichten. ‘Hé, groet hij met een knikje en hij doet zijn oortjes uit.

Dat oplichten omdat hij blij was om mij te zien kan ik me natuurlijk ook ingebeeld hebben. Hij ziet er nogal gehaast uit. ‘Naar het werk?’ vraag ik.

‘Ja, het is al middag. Ik moest maar eens op komen dagen.’ Hij grijnst en zijn blauwe ogen maken dat ik me week ga voelen vanbinnen. ‘En waar kom jij vandaan?’ haalt hij me uit mijn dagdromen.

Ik schrik op. ‘O, ik heb net even gewandeld. Lekker een frisse neus halen,’ lach ik, maar kan mezelf dan wel voor mijn kop slaan. Waarom zeg ik zo’n suffe dingen?

‘Lekker hoor,’ knikt Edwin en hij stapt op zijn fiets. ‘Ik ga nu, als je het niet erg vindt. We kletsen binnenkort wel, oké?’

We kletsen binnenkort wel, oké. We kletsen binnenkort wel, oké!

Ik herstel me. ‘Ja natuurlijk, succes met werken,’ zeg ik met mijn allerliefste glimlach en maak de deur open, om het te laten lijken alsof ik naar binnen ga. We kletsen binnenkort wel, oké!

‘Dank je. Zie je later!’ roept hij nog na over zijn schouder.

‘Doei!’ roep ik nog, maar hij kijkt niet meer om en haastig fietst hij de straat uit, de hoek om. Niet wetend dat ik hem hier nog als een halvegare sta na te kijken.

We kletsen binnenkort wel, oké. Geen gemene opmerkingen of pesterige acties om me voor lul te zetten. Alleen: ‘We kletsen binnenkort wel, oké?’

Wanneer dat is weet ik niet, maar één ding weet ik wel: sinds gisteravond is onze verstandhouding verbeterd. And I like it so far.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *